Home

De Big5 van de Noordzee

Categorie(ën): Ecologie, Nieuws

In de zomer van 2011 zijn op de Nederlandse kust meer dan 100 dode bruinvissen aangespoeld, een record voor deze tijd van het jaar. Dit hoge aantal bevestigt de noodzaak van het beschermen van de bruinvis. Stichting De Noordzee (SDN) lanceert daarom de Big 5 van de Noordzee. Hiermee vraagt SDN aandacht voor zeedieren die extra bescherming nodig hebben.

De bruinvis, kabeljauw, stekelrog, dodemansduim en jan-van-gent zijn de nieuwe Big 5 van de Noordzee. Deze grote vijf zijn échte Noordzeedieren en vertegenwoordigen ieder een belangrijke groep bewoners van de zee: vogels, zeezoogdieren, vissen, kraakbeenvissen en koraal. Stichting De Noordzee zet deze dieren als icoonsoorten neer om tot een betere bescherming van de Noordzee te komen.

De bruinvis
De bruinvis is de eerste van de vijf soorten die om bescherming vraagt. In 4 weken tijd zijn er ruim 100 bruinvissen dood aangespoeld op onze kust. De oorzaak is (nog) onbekend. Ondanks een beschermde status, worden bruinvissen nog steeds bedreigd. Een groot gevaar is verstrikking en verdrinking in visnetten. Ook het toenemende geluidsvolume onder water bedreigt de gevoelige oren van de bruinvis. De bruinvis staat bovenaan de voedselketen en is om deze reden een icoonsoort die beschermd moet worden.

Behalve de bruinvis zijn er meer soorten die een sleutelrol spelen in het ecosysteem. De Big 5 zijn allemaal soorten die betere bescherming verdienen en daarom symbool staan voor beschermingsmaatregelen die volgens ons noodzakelijk zijn op de Noordzee.
De gekozen vijf soorten laten bovendien zien hoe veelzijdig en gevarieerd de Noordzee is. Veel mensen denken aan een grijze grauwe zee, waar niets leeft, maar de Noordzee kent walvissen en dolfijnen, kleurrijke anemonen, talloze vissoorten, haaien en roggen en diverse zeevogels. Al deze dieren vormen een onmisbare schakel in het ecosysteem van de Noordzee.
De bruinvis (Phocoena phocoena) of zeevarken (hoewel meer dieren die naam dragen) is een tandwalvis met een lengte van maximaal 1,80 meter en een gewicht van 60 kilogram.
Bruinvissen hebben een stompe snuit, een lage, driehoekige rugvin en (zoals alle walvisachtigen) een platte staartvin. De rug is donkergrijs, de buik helderwit. Ze leven alleen of in kleine groepen van 2 à 10 dieren en incidenteel in grotere groepen tot enkele tientallen dieren.

De naam bruinvis is op het eerste gezicht vreemd, omdat deze dieren geen vissen zijn en ook geen bruine kleur hebben. De verklaring hiervoor is dat vroeger, toen de mensen nog niet zo veel van dieren wisten, alles wat in de zee leefde vissen noemde, en grauwe kleuren, zoals bruin, grijs en zwart, werden allemaal bruin genoemd.

Voedsel
Bruinvissen eten kleine levende dieren zoals vissen, garnalen enz. Deze vinden ze met behulp van echolocatie.

Verspreiding
Ze komen voor in ondiep zeewater van maximaal 200 meter diep en met een temperatuur beneden de zeventien graden Celsius.[2] Ze zijn beslist niet zeldzaam: geschatte aantallen in de Noordzee lopen uiteen van 100.000 tot 500.000 exemplaren. In het verleden, met name in de 17e eeuw, zijn ze in de grachten van Amsterdam waargenomen.
De soort komt ook veel in de Nederlandse kustwateren voor, vooral in de wintermaanden en het vroege voorjaar (november – april). Tot ongeveer het einde van de jaren 50 was de bruinvis algemeen langs de Nederlandse kust, maar in de jaren 60 was de soort hier verdwenen. Sinds 1985 werden weer af en toe kleine aantallen bruinvissen voor de Nederlandse kust gezien; vanaf 2000 nam dat aantal snel toe. Nu is de soort alleen in juni werkelijk zeldzaam langs de kust; in alle andere maanden van het jaar kunnen ze nu worden waargenomen. In de Oosterschelde leeft een kleine populatie bruinvissen die daar in alle maanden van het jaar lijkt te blijven.

Aanspoelen
Behalve dat de aantallen langs de Nederlandse kust snel zijn toegenomen is er ook sprake van een snelle toename van het aantal strandingen. Veel van de in Nederland aanspoelende bruinvissen blijken door verdrinking om het leven te zijn gekomen. Vermoedelijk verdrinken de dieren in vistuig dat in ondiep water wordt gebruikt.

KABELJAUW
De kabeljauw (Gadus morhua) is een vissoort, die voorkomt in de Atlantische Oceaan. De soort komt ook voor in de Noordzee en is economisch gezien een belangrijke soort. Zowel door beroepsvissers als door sportvissers wordt er veel op gevist.
De kabeljauw heeft een lengte tot 150 centimeter maar meet gemiddeld 80 à 90 centimeter. De volwassen vis heeft een olijfgroene en bruingevlekte rug, een witte buik en een lange kindraad.

Verspreiding
De belangrijkste vangplaatsen zijn de Newfoundlandbank, de Lofoten en de Doggersbank. De vissoort leeft op diepten van 20 tot 600 meter dicht bij de bodem.

Voedsel
De kabeljauw voedt zich voornamelijk met kreeftjes, krabjes, garnalen, vissen en mosselen.

STEKELROG
De stekelrog of gewone rog (Raja clavata) is een rog uit de familie Rajidae. Deze Kraakbeenvis komt voor in ondiep water met modder- en zandbodem, onder andere in de Atlantische Oceaan, de Middellandse Zee en Zwarte Zee.
Een stekelrog wordt ongeveer 85 cm lang. Hij heeft stekels op de rug en de staart, en ook de buik is stekelig.

Stekelroggen komen voor op een diepte tussen de 2 en 60 m in de Noordzee. Zij zetten hun eieren af in ondiep water. De zwarte eikapsels van de stekelrog kan men langs de Belgische en Nederlandse kust aantreffen. Omdat ze betrekkelijk weinig eieren produceren, zijn ze erg gevoelig voor overbevissing. De soort staat als gevoelig op de internationale IUCN rode lijst en als kwetsbaar op de Nederlandse rode lijst.

Stekelroggen zijn in veel openbare aquaria te bezichtigen. Soms worden ze zoals in Nausicaä in Boulogne-sur-Mer in open “aaibakken” gehouden, omdat het dier totaal ongevaarlijk is, in tegenstelling tot bijvoorbeeld de giftige pijlstaartrog.

DODEMANSDUIM
De Dodemansduim (Alcyonium digitatum) vormt kolonies van heel kleine ‘zeeanemoontjes’. Omdat ze met elkaar vergroeid zijn, worden ze poliepen genoemd. Jonge kolonies zijn min of meer korstvormig, maar naarmate ze ouder worden ontstaan er één of meer bobbels. Zo’n bobbel kan uitgroeien tot duimdikke, vingerachtige uitstulpingen. Nog grotere kolonies kunnen zelfs vertakken. Bij de geringste verstoring worden de individuele poliepjes naar binnen gezogen. De Dodemansduim heeft dan een sponsachtig uiterlijk. Op de plekken waar de poliepjes zaten, zijn dan putjes te zien. Het duurt lang voordat ze weer worden uitgezet. Door de vorm en de vale kleur, doen kolonies met ingetrokken poliepjes op vingers van een ‘dode zeeman’ denken.

Afmetingen
Jonge korstvormende kolonies hebben een diameter van 5 tot 10 mm. In de Oosterschelde groeien kolonies meestal niet verder uit dan tot circa 10 cm hoog. De dikte van de ‘vingers’ ligt tussen de 1 en 3 cm. In de Noordzee worden kolonies circa 20 cm.

Verspreiding
De soort komt het meest voor in het westelijk deel van de Oosterschelde (Schouwen en Noord Beveland). Verder komt de soort plaatselijk voor in de Noordzee, op enige afstand van onze kust.

JAN VAN GENT
De jan-van-gent (Morus bassanus ) is een grote sigaarvormige vogel met lange, smalle vleugels. De volwassenen zijn door formaat, kleur en tekening goed te herkennen. Jonge vogels zijn te herkennen aan een lange, spitse kop en snavel, spitse staart en karakteristieke bewegingen. Het volwassen uitzicht wordt pas in het vierde tot zesde jaar verkregen. De okergele kop is buiten het broedseizoen bleker. Volwassen dieren zijn circa 90-100 centimeter groot en kunnen als ze hun vleugel volledig uitstrekken 170-180 cm breed zijn. Jan-van-gents broeden in de zomer op klippen op rotsige eilanden.

Jan-van-genten zijn het gehele jaar door te zien langs de Nederlandse kust, maar zijn het meest talrijk in het najaar. De vogels eten alleen vis en hebben een opvallende manier van jagen. De jan-van-gent stort van grote hoogte vrijwel loodrecht naar beneden en jaagt de prooi ook onder water na. Onder de huid bevinden zich luchtkussen die de klap van de vogel op het water opvangen.

De vogels broeden in kolonies op steile kusten langs het noordelijke deel van de Atlantische Oceaan. De broedparen blijven hun hele leven bij elkaar en leggen slechts één ei per broedsel.

De dieren overwinteren op zee, soms langs de kust. Jan-van-gents staan erom bekend dat ze schepen volgen.
De naam van deze vogel heeft niets met de naam van de persoon Jan van Gent te maken, maar is mogelijk een verbastering van de Keltische naam voor de vogel (Iers: ganainéad, Engels gannet).